StraatliefdeHij viel meteen op. Slungelig kwam hij achter de hoek vandaan. Hij was opmerkelijk lang en liep voorovergebogen in een poging op een mainstream Marokkaanse Brusselaar te lijken, die onopgemerkt langs de Vlooienmarkt liep. Maar gewoon was hij niet. Hij was bijzonder dat zag je zo. 

Hoewel zijn ledematen wat zwabberden als die van een jonge hond met grote poten, die veel te los in zijn vel zat, drukte hij niettemin gecontroleerd een stukje witte stof stevig tegen zijn neus. Omdat hij iets onverklaarbaars had voelde ik een lichte angst opkomen toen hij dichterbij kwam. Net als met zijn zwiepende arm en benen leek het ook met hem alle kanten op te kunnen gaan. Dankzij het zonder meer ‘zijn’ in het ‘niet-weten’ tijdens deze straatretraite terwijl ik en-passant om geld en eten vroeg, ervoer ik zo’n glorieus ‘alles-is-goed-gevoel’, dat ik ook hem net als alle anderen vanaf mijn bedelmuurtje een goede dag toewenste: ‘Bonjour!’

Hij boog zich voorover waardoor ik zag dat het een witte tennissok was met twee blauwe streepjes aan de ingang die hij onafgebroken voor zijn neus had. Verbaasd door mijn vrolijke ‘Hallo’ bleef hij staan. Hij liet zijn tennissok zakken en zei met een verlegen vraagteken in zijn stem ‘Hallo?’ terug.

Zijn gezicht, zag ik nu, was veel te oud voor zo’n nog maar net ontloken jongen. Ogen die een beetje uitpuilden en die zo glazig stonden dat ik er geen enkele emotie in zag. Toch had deze buitengewone twintiger mij meteen bij mijn gevoel te pakken. Ik gebaarde zachtjes om naast me te komen zitten voor een babbeltje? Onverwacht gretig ging hij daarop in: ‘Hoe heet je?’ vroeg ik, ‘Mohammad, ik heet Mohammad’, ‘wat een prachtige naam!’ riep ik onhandig hard maar meende het wel. Zoals hij het zei kon immers niemand Mohammad heten; koninklijk en met een vorstelijke tennissok erbij. ‘Hoe gaat het met je?’ vervolgde ik in het Frans? Hij schoof dichter naast me op het stenen muurtje. ‘Niet goed’, antwoordde hij.

Doordat hij zelf toegaf wat ik met mijn klompen aan had voorvoeld, smolt mijn angst als sneeuw voor de zon. Hij vertelde dat hij verslaafd was aan iets dat op die sok zat. Het hielp hem door de dag. Zijn ouders hadden hem verkocht toen hij zes was, vertelde hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Maar bij de mensen die hem hadden aangeschaft was hij niet lang gebleven. Hij had voor ze moeten werken. Ze hadden hem slecht behandeld.

Hij sprak haast onhoorbaar en tegelijk gejaagd alsof iemand hem op zijn hielen zat. Hoewel we er samen wat onwennig bij zaten, had ik toch het gevoel dat hij het fijn vond om als een grote gewonde vogel naast iemand neer te strijken die, al was het maar even, aandacht voor hem had.

‘Dan ga ik maar weer!’ zei hij toen het rustig was. Hij schudde mijn hand met jeugdig enthousiasme alsof hij eigenlijk door het dolle heen, toch beheerst de magie van het moment niet wilde verbreken. Het voelde als een kwetsbare, pasgeboren handdruk die ik direct voor altijd wilde bewaren met alles wat moeder in me was. Ik keek hem na en wist dat ik dit moment nooit meer zou vergeten. Dat het wat mij betreft alleen maar hierover hoefde te gaan. Met eigen ogen zag ik dat ook deze radeloze veel te grote, kleine jongen, een universum van schoonheid in zich had. En alsof we simultaan hetzelfde dachten, checkte hij of ik hem nog zag waarop hij mij de mooiste totziens-zwaai gaf met de breedste lach.

Dag, lieve Mohammad.

2017-05-29T13:29:45+00:00 1 juni 2015|Columns|

2 Comments

  1. Silvia 16 oktober 2015 at 13:38 - Reply

    Prachtig Dorine!

    • Dorine Esser 5 september 2016 at 08:51 - Reply

      Dank je wel Silvia.

Leave A Comment