“Zit je?” was het eerste dat ze vroeg toen ze me belde. Omdat het voor het eerst sinds jaren was en na keer op keer beloven, dat ze me telefoneerde, had ik inderdaad spontaan van verbazing kunnen gaan zitten. In plaats daarvan liep ik haast kwispelend als een hond die na lange tijd zijn verloren gewaande baasje weer zag, door de kamer rond.
“Nee man, ik ben zo blij dat je me belt, eindelijk!” zei ik lachend. “Ik zou toch maar even gaan zitten lieverd”, zei ze.

Nou hoef je het buskruit niet uitgevonden te hebben om te weten dat dit aandringen weinig goeds voorspelde. “Oké dan ik zit”, probeerde ik nog lachend. K. en ik waren dikke vriendjes. Zo erg dat we nog hechter waren dan familie en zelfs intiemer dan de aan ons voorbijtrekkende liefdes. K. was gewoon meer. Samen met M. vormden we een onafscheidelijke drie-eenheid. We werden onomstotelijk tot elkaar aangetrokken tijdens de kennismakingsdagen van onze studietijd. We waren wild, getalenteerd en veel te onstuimig. Vastbesloten om eerst alles te ontdekken wat door god verboden was, om vervolgens de hele wereld van het kwaad te verlossen en dat bij voorkeur op anarchistische wijze. Onderwijl rookten we als ketters, zopen we als zuipschuiten, zaten we aan de hasj en verenigden we ons in alle standen. We praatten gaten in de nacht, kwamen niet meer bij van het lachen, huilden in elkaars armen en kropen zomaar bij elkaar in bed als het koud was en regende, of als het leven nog moeilijker liep dan gewoonlijk. Samen waren we letterlijk drie handen op een buik.
“Ik ga dood”, zei ze. “Ik heb vijf tumoren in mijn hoofd en een hele grote in mijn longen. Er is niets meer aan te doen.”

Op dat moment gingen heel even, heel hevig alle lichten in me uit.

Zo gaat dat dus, Kareltjeals je mijn leeftijd hebt beginnen je vrienden eraan te geloven. De deur naar de eindigheid van dit vergankelijke leven wordt op een kier gezet. Het definitieve onbekende waait steeds vaker het schijnbaar onverstoorbare gewone binnen in de vorm van witte of ecru envelopjes met een randje er rond. Of via Facebook pagina’s waar geërgerde reacties op vriendelijk bedoelde verjaardagswensen volgen: “Een fijne dag en nog vele jaren!” valt wat ongelukkig als de persoon in kwestie helaas niet meer bestaat. Vlak voordat ze stierf, koud twee maanden na dat ene telefoontje zagen M. en ik eindelijk onze kans schoon haar samen op te zoeken in het Hospice waar ze net was opgenomen. We mochten niet zomaar haar kamer binnenstormen zoals we dat vroeger gewend waren. Er werd eerst beleefd aan de patiënt gevraagd of ze ons wilde ontvangen en wie we dan wel waren? Heel begrijpelijk natuurlijk, maar in het geval van K. leek het meer op een veel te lange scène uit een slechte film die niemand wilde zien. Het antwoord was zo onverwachts als vanouds “Ja, gezellig!” dat ik het vanaf dat moment niet meer droog kon houden. In de kamer met een afbeelding van een dode schelp naast de deur met daaronder K.’s naam, besloot M. voor de koffie te zorgen: “Melk? Suiker?” En tegen mij: “Sinds wanneer drink jij zwart?” heel gewoon, alsof er vandaag niemand in de Nautilus kamer lag te sterven. Ik zat aan K.’s bed met haar hand in de mijne en kon niet veinzen dat ik haar met de beste wil ter wereld fysiek niet herkennen kon. Het ziekenhuisbed was opdringerig onverwoestbaar vergeleken met het broze leven dat erin lag: “Moet even wennen K. je ziet er zo anders uit.” Maar K. had besloten zich daar niets van aan te trekken. Ze mimede me na, zoals ze altijd deed als er ijs gebroken moest worden, toen ik zo zachtjes mogelijk mijn neus probeerde te snuiten. Zo bracht ze ons die middag met haar mimiek en rake imiterende bewegingen aan het lachen. Spreken ging niet meer zo goed. Buiten gaven de vogeltjes wat troostfluitjes ten beste en de zon deed er met haar zachte, warme stralen nog een schepje bovenop: met zijn drieën onstuimig stil in lief en leed verbonden.

Tegen de avond hebben we afscheid genomen. K. had voor mij zelfs nog gefluisterde laatste woorden. En toch ben ik weggegaan terwijl ik tot stikkens toe voelde dat ik haar nooit meer levend zou zien. Dat ik dat gedaan heb? Dat ik dat kon? Dat het mogelijk is de deur te sluiten, de lift te nemen en voor altijd zonder K., huilend naar beneden te gaan? Het is alweer maanden geleden en toch, daarstraks toen ik naar buiten keek zag ik weergaloos grappige bewegingen in de struiken. De manier waarop de takjes wuifden en die rare gele bloemetjes er bovenop… alleen zij zou dat kunnen, zeker weten!

Lieve K. je kan nu dus overal zijn en zoals ik je ken, zal je daar vast ongelimiteerd creatief gebruik van maken, zodat ik ongestoord zomaar in het wild tomeloos van je houden kan.

K. was zenbeoefenaar en kunstenaar.
Boeken waar ze tijdens haar ziekte veel aan had:
Shunryu Suzuki roshi, ‘Zen mind beginners mind’.
Stephen Levine, ‘Who dies?’
Vidyamala Burch, ‘Aandacht voor pijn: door mindfulness gelukkig leven met chronische pijn en ziekte’.

2017-05-29T13:29:47+00:00 2 mei 2015|Columns|

Leave A Comment